 |
|
Illustratie door Katie Willmett
|
Het is alweer een tijdje geleden dat ik opstond, een bakkie straffe pleur zette, de krant opensloeg en er achter kwam dat Miriam Makeba naar de eeuwige jachtvelden was vertrokken. Behalve moeder van de wonderschone tune ‘Samba’ was de Zuid- Afrikaanse superster ook de laatste herinnering aan de postkoloniale tijd waarin Novib-soepjurken zojuist het roer van christelijke zieltjeswinners hadden overgenomen. Veel mensen die naar Afrikaanse muziek luisterden waren zelf mislukte Djembé-cursisten met weinig interesse voor de smerige beats uit het continent op zich. Toch bleven ze ernaar luisteren, vooral vanwege het New Age-component die ze er in meenden te horen. Bezoek een willekeurig psy trance-feest, vraag een gedrogeerde bezoeker naar de platenkast van diens ouders, en je krijgt gegarandeerd te horen dat die voor de helft gevuld was met muziek van mevrouw Makeba.
Goed, het moet dus ergens in 2008 zijn geweest dat Karl Hector het volgende voicemail-bericht ontving van gast-Afrikaan Paul Simon: “The age of Miriam Makeba is finally coming to an end. Music is no longer about politics. It is time for another Afro-Germanic revolution of sound. Bist du ready to rock?’’
“Verdammt, dat was ik allang!’’, dacht Karl Hector. “Die erste Afro-Germanische Revolution fang an mit die Statischen Robots von Kraftwerk. Ik wil nu aan de gang met mysterieuze Oost-Afrikaanse slangenbezweerdersmuziek en Amerikaanse funk, ik wil swingen, zonder daarbij mijn Duitse krautrock-identiteit te verliezen. Of nee, die identiteit kan me niks schelen. De Tweede Wereldoorlog ligt ver achter ons, de Apartheid is afgeschaft en techno is klinisch en lomp geworden: volgens mij is het tijd voor een portie hedonistische Sahara Swing!’’
Kijk, en dat komt goed binnen bij een temperatuur van boven de veertig graden. Kraftwerk, Derrick May en Drexciya; het is allemaal best aardig als het vriest, maar bij zwoele temperaturen hoort nu eenmaal dito muziek (sorry jongens, maar jullie hadden er net zoals ik voor kunnen kiezen om je baan op te zeggen, je schaatsen te verkopen en in de tropen te gaan wonen; over de locatie wil ik niet al te veel kwijt, maar ik moet zeggen dat de Ethiopische koffiebonenblend heerlijk van mijn tong richting het juiste keelgat parelt). Hoewel de Beierse Karl Hector en zijn tienkoppige band The Malcouns er niet per se op uit zijn om Duits te klinken, vallen ze toch min of meer door de mand: het is te horen dat Keulen, de hoofdstad van het avant gardisme en thuishaven van krautrockers als Cans Holger Czukay, niet meer dan een rooksignaal verderop ligt. Maar dat is nog geen reden voor paniek. Waar Czukay de neiging had een groove niet langer dan drie seconden door te laten rollen, blaft Hector er snoeihard op los, daarbij knipogend naar Mulatu Astatke, de magiër uit Addis Abeba die in de door oorlog geteisterde Hoorn van Afrika vriend en vijand op een door DMT-rookwolken omgeven klankenparadijs trakteert. De toetsen-Malcoun laat de keys flink rondzingen zoals dat in grootmoeders tijd al zo fijn ten gehore werd gebracht door de mannen van Fela’s Afrika 70. In Duitsland is down to earth alleen niet zo blits en dus laten Udo, Konstanz en Gerhard ook op het psychoactive vlak flink van zich horen. De nét niet authentieke, religieus aandoende achtergrondkoortjes leveren een substantiële bijdrage aan het outer-space-gehalte van ‘Sahara Swing’. De interludes van minder dan een minuut spannen daarbij de kroon: die gaan sky-high. De wijsjes van Karl Hector lijken dan ook een stuk minder van deze wereld dan de bayou funk van The Meters en de afrobeat van de New Yorkse collega-nep-Afrikanen van Antibalas. Da’s ook niet zo gek: als je Duitser bent, heb je wat te ontvluchten.
Het wordt me nu opeens glashelder waarom mijn muzikale consumptiepatronen zo dicht bij die van Karl Hector liggen en waarom de funk van Fela me altijd zo veel meer heeft aangegrepen dan zijn teksten: Karl en ik komen uit een vergelijkbaar land waar iedereen een dak boven zijn hoofd heeft om zich te beschermen tegen de asgrauwe hemel. Dat schiet me zo te binnen terwijl ik de derde kokosnoot van de dag leegslurp.
CHRISTIAAN DE WIT