|
|
DOS & DON'TS
MEER UIT DIT NUMMER
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
DRIE VERHALENDoor Kenneth Gangemi
In 1969 schreef Gangemi Olt, een 55-pagina’s lang verhaal waarvoor je op de bon geslingerd zou moeten worden als je het niet gelezen hebt. Hij stuurde Vice een volledige, onuitgegeven roman bestaande uit losjes aan elkaar verbonden korte verhalen die ontzettend grappig zijn, maar ook wel een beetje smerig en donker. Als het leven niet zo onrechtvaardig was, dan zou Gangemi al miljoenen boeken verkocht hebben, in plaats van zes.
Middelbare Schoolmeisjes In de buurt van Sixth Avenue zat een jonge tiener op de stoep een strip te lezen. How to Eat Pussy stond er op de omslag. Nick glimlachte en hield even halt om de titel neer te schrijven in zijn notitieboekje. Hij vroeg zich af of er voor meisjes een gelijkaardige strip bestond: How to Give a Blow Job. De jongen staakte zijn lectuur om te kijken hoe twee middelbare schoolmeisjes met strakke topjes voorbij liepen. Ze stopten even zodat één van hen een sigaret kon opsteken. Het meisje met de sigaret droeg een button met als opschrift, “I’m not insensitiveI just don’t care.” Nick bekeek beide meisjes en noteerde: “Perfecte, zachtjes deinende borsten.” Toen ze weer verder liepen hoorde Nick één van hen zeggen, “Van brandnetels krijg je nog ergere jeuk dan van gonorroe!” Eén van de meisjes deed hem denken aan een bevriend koppel dat bij de geboorte van hun dochter nog tal van dromen had gekoesterd. Maar op school had ze de verkeerde vrienden gekozen en nu was ze, op vijftienjarige leeftijd, geweldig goed bezig met zichzelf kapot te maken. Voor haar ongelukkige ouders was elke dag een nachtmerrie. Hun dochter was een ordinaire slet geworden, een ontluikende alcoholist, een punkgriet met piercings en een grotere hang naar naalden dan naar onderwijs. Deze twee meisjes zaten in de fleur van hun jonge leven, alleen zou de pittige onschuld die ze uitstraalden maar al te gauw verdwijnen. Vroeg of laat zou hun metabolisme beginnen te vertragen en zouden hun perfecte borsten gaan hangen en slap worden. Hij vroeg zich af of ze wel beseften hoezeer ze gemanipuleerd werden door reclamemakers en marketingjongens die zich enkel en alleen op hun leeftijdscategorie richtten. Het mooiste meisje van de twee werkte langzaam een klein zakje chips naar binnen. Nick zoomde veertig jaar in op de toekomst, waar zich een ziekenhuisscène afspeelde: een onaantrekkelijke, opgezwollen vrouw werd op een brancard naar binnen gereden voor een hartoperatie. Nick voelde een soort verwantschap met de striplezende tiener, het soort verwantschap tussen twee mannen die samen op een warme zomernamiddag tieten observeren. Beiden bestudeerden ze het wonderlijke fenomeen van op- en neergaande borsten, met extra aandacht voor de zichtbare contouren van tepels onder strakke topjes. Dat was één van de redenen dat hij van New York in de zomer hield. Toen de jongen opnieuw opkeek vroeg Nick hem, “Ken jij het verschil tussen poesjes en peterselie?” De jongen schudde van neen en Nick glimlachte. “Peterselie eet je niet op,” zei hij. De Dierenwinkel Nick ging naar een groepje mensen dat in een etalage stond te kijken. Achter het glas zaten enkele tekkelpuppy’s, amper acht weken oud, met elkaar te stoeien en te spelen. Hij was gek op de etalages van dierenwinkels. De kleine hondjes en katjes slaagden er steeds weer in om mensen te ontroeren die dan samen een praatje sloegen hoewel ze elkaar van haar noch pluim kenden. Hij had gelezen dat het fenomeen door psychologen omschreven werd als “primitieve kameraadschap” en dat het kon voorkomen na de film, tijdens de pauze van een toneelvoorstelling, in een geblokkeerde lift of metrowagon, op de plaats van een brand of verkeersongeval of wanneer mensen schuilen voor de regen of samentroepen voor de etalage van een dierenwinkel. Naast hem stond een jonge vrouw. Ze was compleet ondersteboven van de schattige puppy’s die spelend over elkaar heen rolden. De meeste van hen waren mannetjes. “Oh, die daar moét ik hebben,” zei ze. “Maar in welke kleur? Een zwarte tekkel met rode ballen? Of een rode tekkel met zwarte ballen?” Nick nam even de tijd om de vrouw eens goed te bekijken. Slank, geen ring rond haar vinger, blond met blauwe ogen en ergens midden de twintig. Ze was gebruind en had een strak figuur, misschien van te tennissen, en droeg eenvoudige maar smaakvolle kleren. Rond haar nek had ze een fraai parelsnoer. Haar ingehouden verschijning was zo goed als perfect: haar haar, schoenen, make-up, kleren, handtas… alles klopte. Nick was overdonderd door zoveel schoonheid en elegantie. Hij moest onmiddellijk denken aan paarden, golfclubs, een eerste jaar aan de Sorbonne in Parijs, weekends in Newport, Palm Beach, en Southampton. Misschien wel een New Yorkse aristocrate, iemand uit de beau monde, de logische eindsom van een rijke familie en exclusieve scholen, op weg naar een lunchafspraak. “Weet je waarom parkieten zo dom zijn?” vroeg Nick. “Nee,” antwoordde ze. “Omdat ze nergens een fluit van begrijpen.” zei hij. Ze glimlachte beleefd. Hij zou ongetwijfeld iets beters moeten bedenken. Ze praatten wat over de kleine tekkels, over de oorsprong van het ras, over hoe nieuwsgierig en intelligent ze wel niet waren en een mens zich geen beter huisdier kon bedenken. Toen ze daarna besloot te informeren naar de prijs van zo’n puppy liep Nick met haar naar binnen. De verkoper van de dierenwinkel was een man van middelbare leeftijd met uitdunnend haar. Hij droeg een hemd met korte mouwen en had een stuk of vijf, zes balpennen in zijn borstzak steken. Zo te horen wilde hij haar ook heel graag een puppy verkopen. “We kunnen u een redelijke prijs geven als u uw oude hond inruilt,” zei hij. Ze had blijkbaar een boxer. Nick vroeg zich af of er ook een worstelras bestond. De jonger vrouw glimlachte en wierp de verkoper een warme blik toe. Ze wilde hem een ruil voorstellen. Toen de verkoper eventjes wegkeek zag Nick hoe ze het bovenste knopje van haar blouse los maakte. “Zou u een tekkelpuppy willen ruilen voor een koppel padhagedissen?” vroeg ze. De verkoper aarzelde. “Die zou ik dan eerst moeten zien” Ze scheidde haar lippen. “Ik doe er een Gucci hagedissendrager bij,” zei ze, “met aparte vakjes voor hem en haar.” “Die puppy’s zijn anders wel raszuiver,” zei de verkoper. “Mijn padhagedissen ook,” zei ze. “Ze staan allebei geregistreerd bij de Amerikaanse Vereniging van Hagedissen.” Nick luisterde terwijl de jonge vrouw met de verkoper onderhandelde. Ze was elegant, welbespraakt en had verfijnde manieren. Waarschijnlijk hadden haar hagedissen zelfs blauw bloed. Toen de verkoper eindelijk begon in te binden, liet Nick hen doen en ging wat door de winkel neuzen. Hij zag een katteneigenaar die draagmanden bekeek in de kataloog en een hondeneigenaar die een artikel las over evenwichtige voeding in de hondaloog. De achterkant van de winkel, die volgestouwd stond met aquariums, had de naam “Vissenplaneet” gekregen. Een klant die zich zorgen maakte om een te laag voltage had zijn elektrische aal binnengebracht. Nick zag een koppeltje zwartwitte Scotties, het mannetje heette Middernacht, het vrouwtje Sneeuwvlokje. Hij liep langs rekken met gourmet vogelzaad, potjes zalf tegen wombatschurft, elektrische “warmtestenen” voor hagedissen, gedroogde varkensoren en schapenlongen, langs een hok met dwergkonijnen en een kooi met piranhaparkietenzo één zwerm kon een mens in luttele seconden volledig kaal pikken. Hij zag een kooi met witte ratten, waarvan er eentje zich vermaakte in een looprad. Het waren propere, vriendelijke en nieuwsgierige beestjesvoortreffelijke huisdieren. Boven een kooi met gestreepte katjes hing de krantenkop van een tabloidmagazine, “Zwemmende Kat Redt Verdrinkend Kind.” Een Samoyed puppy had net een bad gekregen. Met zijn witte, pluizige vacht leek hij wel een kleine ijsbeer. Nick ging naast een vrouw staan die met droeve ogen naar een kooi met kapucijnaapjes keek. “Ik wil er eentje kopen,” zei ze, “maar ik heb gehoord dat ze zich constant aftrekken. Dus heb ik in de plaats een vriendje in huis genomen. Wat een vergissing!” Hij liep verder, bewonderde de pluimen van een blauwgouden ara en staarde diep in de ogen van een kaketoe met zwavelgele kam. Een groepje cocker-spaniels keek hem met bange ogen aan. In de kooi daarnaast zaten twee Engelse pitbull terriërs, een ras dat ook wel “de clowns van de hondenwereld” werd genoemd. Zodra hij ze opmerkte speelde er een glimlach om zijn lippen. Daarna zag hij een Siamese kat met chocoladevlekken en een briefje op haar kooi: “Begeerlijke jonge vrouw, houdt van strelen en zoekt gezelschap.” Hij respecteerde de onafhankelijkheid van katten. Hij had eens gelezen dat een hond komt als je roept, maar een kat een boodschap noteert en je later wel iets laat weten. Nick ging op zoek naar de eigenaar van de dierenwinkel. Hij vond hem leunend in de deuropening en dromend van een papegaai op elke schouder. Eén van de klanten onderbrak zijn dagdroom met een vraag. “Geef je kanarie niet te vaak te eten,” adviseerde de eigenaar. “Anders wordt hij te dik.” Een andere klant vroeg, “Wat moet ik doen als mijn papegaai me bijt?” “Een kreet laten,” zei de eigenaar. Nick herinnerde zich de grap van de Fransman die een bar binnenstapt met een papegaai op zijn schouder. De papegaai draagt een baseballpet. “Hé, da’s knap,” zegt de barman. “Van waar heb je die?” “Frankrijk,” antwoordt de papegaai. “Daar lopen er zo miljoenen rond.” Nick liep terug naar de toonbank. Hij zag dat de deal tussen de verkoper en de jonge vrouw bijna rond was, en neusde wat verder. Een man pikte een inschrijvingsformulier op voor een konijnenvergunning. Een vrouw die naar Europa vertrok bracht haar kat binnen. Ze wilde een identiteitskaart, pootafdrukken en pasfoto’s. Nick zag dat het een zeldzame Norsk Skogkatt of Noorse woudkat was. Hij viste zijn notitieboekje uit zijn zak en schreef: “Waarom zo afwezig, poes? Iemand je kat gestuurd?” Hij liep verder en bekeek een Maine coon kat van wel 10 kilo, met haar jongen. Verder zag hij een hok met poolkatten, zo wit als sneeuwuilen en ijsberen. Zelf had hij altijd al een Cheshire kat gewild, het soort waar Lewis Carroll over schreef. Het zou zo leuk zijn om naar de top van de boekenkast te kijken en dan die grote glimlach te zien. Een paar minuten later verlieten Nick en de jonge vrouw de dierenwinkel. Ze glimlachte en praatte tegen de kleine tekkel die ze in haar armen droeg. Nick keek even om. Door de etalage van de winkel kon hij de verkoper zien. In zijn hand hield hij een stuk papier dat goed was voor een Gucci hagedissendrager en een koppel padhagedissen. Ze liepen oostwaarts langs 57th Street. Nadat ze Broadway hadden overgestoken liet ze hem de brave, blije puppy dragen. Nick liep met de jonge vrouw naar een duur restaurant op het einde van de straat. Het stond bekend als een plaats waar managers, redacteurs en uitgevers graag rondhingen. Ze nam de puppy van hem over en gaf Nick een warme glimlach, “Als hij ooit stopt met ademen,” zei hij, “moet je hem snuit-op-mond ademhaling geven.” Ze lachte, gaf hem als afscheid een zoen op de wang en liep naar binnen. Nick bekeek het interieur van het restaurant met zijn spiegelmuren en witte tafellakens. Hij zag hoe ze naar een knappe jongeman toeliep in een donkergrijs pak maar eerst nog even met de maître d’hôtel sprak, aan wie ze snel de nieuwe puppy overhandigde. De Jonge Actrice Naast een postbus zag Nick een beeldschone vrouw. Uit haar schoudertas stak een strategisch geplaatst exemplaar van Back Stage Magazine. Ze liet een grote enveloppe in de bus glijden en daarom ging hij ervan uit dat ze een actrice was die haar foto en CV naar een producer verstuurde. Ze had een perfecte kont, dus misschien had ze daarvan ook een foto ingesloten. Hij dacht aan alle mannen die haar ooit in bed hadden proberen te praten. Wat een leven! Als ze haar kleren uitdeed kon ze misschien een rol versieren in één van de zomerproducties. Het was lang geen geheim dat regisseurs en casting managers jobs weggaven in ruil voor seks. In het toneelstuk Kennedy’s Children had een actrice zelfs seks geruild voor een gratis kapbeurt. Voor armere actrices in Los Angeles was het ook zelfs ongewoon om seks te hebben in ruil voor een tandcontrole of een autoreparatiehet ene onderhoud voor het andere, dienst en wederdienst. Nick vroeg zich af of ze al voor een grote producer werkte. Hij dacht aan alle douches die ze al had genomen. Ze was gekleed voor een warme dag, met een designer T-shirt en een rokje dat nauwelijks halverwege haar dijen kwam, en had de mooie gebruinde huid van een zomerse blondine. Maar was dat wel haar echte haarkleur? Dat kon alleen haar vriendje met zekerheid weten. Hij moest denken aan een citaat van Raymond Chandler, “A blonde to make a bishop kick a hole in a stained-glass window.” “Wat een stoot! Wat een stoot!” zou Nathanael West in The Day of the Locust geroepen hebben. Zijn vriend Harry zou haar zonder probleem hebben kunnen versieren. “Wie beheert jouw zaakjes?” zou hij vragen, waarop hij de namen zou laten vallen van een aantal bekende managers die hij kende vanuit de filmindustrie. Nick voelde zich nooit helemaal op zijn gemak rond mooie vrouwen maar Harry had daar absoluut geen moeite mee. Hij wist immers dat mooie vrouwen vaak eenzaam en ontevreden waren en dat, als er al een man in het spel was, ze hem meestal beu waren. Hij had in dat opzicht ooit Alphonse Karr geciteerd: “Als mannen alles wisten wat vrouwen denken, zouden ze in hun aanwezigheid twintig keer zo stoutmoedig zijn.” Harry zou zeker scoren bij deze jonge actrice maar Nick zou niet eens door de voorrondes geraken. Hij dacht aan de Mexicaanse dichter José Juan Tablada: “Ah, jullie vrouwen op Fifth Avenue, zo dicht bij mijn ogen, zo ver van mijn leven.” Zou ze in vorm blijven door te joggen of door te fitnessen? De jonge schone had stevige armen, een platte buik en een teint die je voor geen geld zou kunnen kopen. Nick vroeg zich af of ze wel goed kon acteren. Misschien zou Dorothy Parker het volgende gezegd hebben over haar prestaties: “Ze bracht het volledige gamma aan menselijke emoties, van A tot B.” Hij herinnerde zich een scène uit een oude film waarin een Broadway producer tegen een mooie, jonge actrice uit Indiana zegt “Blijf bij mij, kleintje, en dan maak ik een ster van je.” Later in de film neemt hij haar mee naar het balkon van zijn penthouse en kijken ze uit over de fonkelende stadslichten. Hij legt zijn arm rond haar middel en zegt, “Dit is mijn stad, schatje, en als je je kaarten goed speelt, kan ze ook de jouwe worden.” Een uur later zat Nick aan de bar van een restaurant enkele straten verder. Hij wachtte tot er een tafel vrij kwam en zag een aantal mannen iemand aanstaren die net was binnengewandeld. Het was de mooie, jonge actrice die hij bij de postbus had gezien! Was ze werkloos, op zoek naar een job? Ze sprak even met de maitre d’hôtel en stapte daarna onmiddellijk op de uitbater af. De hoofden van de mannen draaiden één voor één met haar mee. Hun aandacht voerde haar terug naar haar dagen als hoofdactrice aan de gemeenschapsschool van Cuyahoga. Van waar hij zat kon Nick haar niet zien, zijn zicht werd versperd door een dikke papzak die in zijn mobieltje sprak. Maar hij kon de actrice aan de uitbater horen vragen of hij geen diensters nodig had. De uitbater bekeek haar van kop tot teen en overhandigde haar een aanvraagformulier. Ze liep naar de bar om het in te vullen. Nick zag dat er maar twee vragen op stonden: 1) Wat is uw burgerlijke staat? 2) Wat denkt u over de ozonlaag en het milieu. Nick bekeek haar terwijl ze het formulier invulde en dacht aan Shakespeare: “Rijpheid is alles.” Hij wist dat ze niet meer dan een paar jaar had om het als actrice te maken. Ondertussen tikte de klok genadeloos verder en werd ze ouder. Elke week zakten haar borsten opnieuw met een honderdste van een millimeter. Tenzij ze zich als een bezetene op haar trainingsschema stortte en de calorieën herleidde tot een absoluut minimum zouden haar kont, heupen en dijen traag maar gestaag gewicht opstapelen. Uiteindelijk zou ze te oud worden, haar frisheid zou verdwijnen en haar close-ups rimpels vertonen. Een nieuwe lichting jonge schoonheden uit Chicago, Kansas City en Minneapolis zou de aandacht trekken van regisseurs en casting managers en zij zou aan de kant worden geschoven. Toen ze hem het aanvraagformulier teruggaf zag de uitbater van het restaurant dat ze getrouwd was. Nu was zijn enige principe net dat hij geen getrouwde vrouwen versierde. “We hebben momenteel geen vacatures,” loog hij zoals gewoonlijk. “En trouwens, uw mening over de ozonlaag en het milieu is onaanvaardbaar, ze staat volledig haaks op onze bedrijfsfilosofie. Wij geloven in een vuile planeet want een vuile planeet brengt geld op!” Hij wees haar de deur. “Wij kunnen geen radicale milieuactivisten aannemen. Wie weet ben je wel een communist!” © Kenneth Gangemi, 2008
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||