NIEUWSBRIEF



DOS & DON'TS

Where would the world of crappy photo blogs about the openings of shitty fashion boutiques that close down after six months be without “punky chicks” like this fine country ham? Is her hair that color so the rescue services can find her easier when she gets beached? Hey-oh!
Comments/Enlarge | See all


This guy is “fit but he knows it” which is kind of endearing on hot chicks but looks chronicles of ridic on dudes. Comments/Enlarge | See all






MEER UIT DIT NUMMER

LITERATUUR
Door Ramon Kailani
MAX BROOKS
Wie ook maar één ruk geeft om de toestand...
VIDEO GAMES KILLED THE RADIO STA...
50 CENT: BLOOD ON THE SAND
To...
VICE FOTO'S
Van Ryan McGinley
TUSSEN DE LETTERS LEZEN - DEEL 1
Grafologen zien wat er in het geschrift g...
VICE FOTO'S
Door Pierre-Yves Dallenogare
WOORDENBOEKEN IN BRAND STEKEN
Literatuur volgens Kapitan Korsakov
CANDY-COATED
Door Carlton Mellick III





HAND TOT MOND

Door Joost Vandecasteele

Het was lang geleden dat iemand door middel van simpele zwarte letters op een virtueel wit blad zo met onze emoties jongleerde als Joost Vandecasteele doet in het verhaal dat we in dit nummer hebben opgenomen. We hadden het eigenlijk wel kunnen weten. Vandecasteele raasde in de afgelopen jaren met zijn (ex-)theatergroep Abattoir Fermé als een wervelwind door België en Nederland en won in 2007 de Brandende Pen voor het beste Nederlandse korte verhaal. Wij stuurden hem een MySpace-berichtje. Zijn debuut Hoe de Wereld Perfect Functioneert Zonder Mij verschijnt in maart bij de Arbeidspers.



Zonder dat haar man het weet, dumpt Liesbeth elke dag haar twee kinderen in een crèche en rijdt ze terug naar het lege huis. Het begon als een sporadisch ding, wanneer ze te moe was of teveel werk had, maar het is in tussentijd uitgegroeid tot een dagelijks ritueel. Volgens haar eigen berekeningen kan ze dit nog een jaar volhouden, voor de oudste te mondig is geworden en haar ontmaskert als een vreselijke moeder. Maar ze heeft dit nodig, deze stille momenten, deze zelfopgelegde eenzaamheid.

Om de kinderopvang te kunnen permitteren, schrijft ze boeken. Voornamelijk kankerboeken. De ziekte, niet het werkwoord. In haar eentje is Liesbeth verantwoordelijk voor een overvloed aan terminale ontboezemingboeken met ronkende titels als ‘Hoe een puntje bijna een uitroepteken werd’ of ‘Roodborstje’ of ‘Eén borst later’ of ‘Hoe de chirurg mijn echtgenoot werd’ (de populairste van de reeks). Liesbeth is er misschien niet trots op, maar wel heel goed in geworden.


Het is maandag en de kinderen zitten veilig opgeborgen in de crèche. Na de afwas en de opkuis zet ze zich weer achter haar computer, om een einde te breien aan haar laatste zogezegd waargebeurde verhaal. Zeventien hoofdstukken lang heeft Liesbeth het hoofdpersonage met meer tegenslagen opgezadeld dan rampen in de bijbel. De vrouw ligt nu half verlamd door de verkeerde dosis chemo en half verdoofd door de verkrachting en met één been minder en met een vent die een verdoken homo blijkt te zijn en een tante die fout zat in de oorlog in een ziekenhuisbed haar einde af te wachten. En nu is het de bedoeling dat het allemaal toch ietwat opbeurend en hoopvol eindigt zodat de lezer niet het boek neerlegt en de dichtstbijzijnde boom opzoekt om eraan te bengelen. Maar ze kan niks verzinnen, zeker niet iets met een positieve boodschap erin verborgen. Even heeft ze met het idee gespeeld om haar gewoon te laten sterven, haar laten overhoop rijden door de vrachtwagen die verse infusen vervoert. Maar haar lezerspubliek heeft weinig tot geen gevoel voor ironie. Deze vrouwen willen maar één ding, gelijk junkies steeds opnieuw dezelfde roes voelen door steeds opnieuw hetzelfde verhaal te lezen. Het verhaal van hun herstel.

Liesbeth blijft nog een uur verder tobben over een mogelijk einde en geeft het dan op. In de achtertuin wil ze rustig een sigaret opsteken en oproken. Maar de rooksignalen worden direct opgemerkt door de Trut van Hiernaast. Op een keukenstoel gaat deze aan haar kant van de heg staan en begint met haar kop tussen de blaadjes een zeer eenzijdig gesprek te voeren. Liesbeth laat de vloedstroom aan woorden over haar heengaan. Want luisteren zou alleen maar irritatie opwekken. De Trut van Hiernaast kent honderden afgrijselijke kenmerken, maar is voornamelijk berucht voor haar onuitputtelijke bron aan dooddoeners. Deze vrouw slaagt erin om ieder ontegensprekelijk wetenschappelijk feit te ondermijnen met een totaal ontoereikend tegenargument. Liesbeth herinnert zich een gesprek met haar toen ze nog moeite deed. Om de conversatie op gang te trekken vermeldde ze een bericht uit de krant, dat er studies waren waaruit bleek dat er wereldwijd minder goudvissen verkocht werden. Of zoiets. Waarna de Trut van Hiernaast direct en onbewogen repliceerde.

“Nou, dat is niet waar. Want ik ken iemand die juist een goudvis heeft gekocht.”

Ze zei het in de volle overtuiging dat die ene persoon alles terug uit balans had gekregen, alsof ze net het ultieme bewijs had geleverd van het tegendeel. Liesbeth probeerde nog duidelijk te maken dat het om een wereldwijd fenomeen ging, maar het mocht niet baten. De Trut van Hiernaast had gesproken en de wereld zat fout. En zo heeft ze miljoenen voorbeelden van kennissen die ze midden in gesprekken smijt en hun effect laat hebben.

Vandaag is ze van wal gestoken met een verhaal zonder zelfs de illusie van coherentie. Even twijfelt Liesbeth om een brandende sigaret achter te laten. Aangezien de Trut van Hiernaast te laag staat om haar gezicht te zien en zich enkel baseert op de dunne rookpluim, kan ze er gemakkelijk tussenuit muizen. Maar ze doet het niet. Zo is ze niet opgevoed.

Doorheen het gekwebbel denkt ze aan eindes voor haar boek. Ze zou het hoofdpersonage natuurlijk een minnaar kunnen schenken en ze weet al wie. Ze zou een kerel baseren op de kerel aan de overkant. Want die ziet eruit als hij gemaakt is om te neuken, alsof hij een penis heeft met vijftien standen en het uithoudingsvermogen van een kameel. Natuurlijk heeft Liesbeth ook al gefantaseerd om hem uit te nodigen en zijn gang te laten gaan. Maar het lijkt haar zo een gedoe, zeker erna, om dan gelijk een zot met een volgespoten kut te beginnen schrobben. En ze kent haarzelf ook goed genoeg om te weten hoe vlug luiheid zou optreden. En er bestaan geen leugens krachtig genoeg om een onbekende zaadvlek in je bed weg te liegen. Maar dat houdt haar niet tegen om hem literair te misbruiken. Het is op zich een goed idee. Het probleem is enkel, het lost de tumor in de kop niet op. Nog voor de buurvrouw aan haar pointe is gekomen, neemt Liesbeth verward afscheid en gaat terug binnen wat naar haar scherm staren. Tot het tijd is om de kinderen op te pikken.


Het is dinsdag en vandaag moet ze wel thuis blijven met de kinderen. Sarah, een vriendin van lang lang te lang geleden, komt langs en deze verwacht natuurlijk een gezin met alles erop en eraan. Ze hebben elkaar leren kennen op hun zestiende, toen ze het schema opstelden. Een resem vooropgestelde doelen met eindresultaat puur en ongebreideld geluk. Alles verliep zoals het moest. Beginnend met haar ontmaagding op haar zeventiende, door de kerel die ook haar vriendin had gedaan. Op haar achttiende volgde ze de studierichting die haar werd aanbevolen. Negentien en samenwonen met haar vriendin. Twintig en de beste dagen van haar leven, keiveel feesten en keiveel vrienden. Eenentwintig, een keigoed lief en keigoede punten. Tweeëntwintig en afgestudeerd, een jaar thuis wonen om te sparen voor een auto. Drieëntwintig en een auto, plus de job waarvoor ze gestudeerd heeft. Vierentwintig en hij daagt op. Mooi op tijd voor het huwelijk dat ze dan had gepland. Een jaar sparen om samen iets te kopen. Vijfentwintig en een huis, in een rustige buurt, met een school vlakbij. En iedereen zei dat ze goed bezig was. Zesentwintig en sparen voor een kind. Zevenentwintig en een kind. Ze stopte met werken en iedereen vond dat de juiste beslissing. Achtentwintig en haar man vond dat ze iets te traag haar zwangerschapsvet verloor. Hij had gelijk, maar Liesbeth negeerde het. Negenentwintig en nog een kind. Vanaf nu was buitenshuis werken geen optie meer. Zei iedereen. Dertig en sparen voor een reis naar het zuiden.

Daarna niks meer.

Het schema ging maar tot dertig. Tegen dan moest ze maar gelukkig zijn. Maar hoewel ze perfect op schema zit, heeft het haar bitter weinig opgeleverd. Ze is niet blij, voldaan of trots. Ze is enkel een even groot cliché geworden als de kankerwijven die ze beschrijft, met een even intens seksleven als de gemiddelde gebochelde dwerg.

Wat Sarah uit het schema heeft gekregen, weet ze niet en hoeft ze ook niet te weten. Het is voor Liesbeth zo lang geleden dat ze nog alleen is geweest met haar zonen, te lang om op haar instincten te vertrouwen. Normaal is hij er altijd bij en lijkt alles vanzelf te verlopen. Maar nu in de twee uren tijd voor Sarah opdaagt, heeft ze geen flauw benul wat er van haar als moeder wordt verwacht. Ook de kinderen lijken heel de situatie als uiterst bizar te beschouwen. De twee jongens zitten haar wat onwennig aan te staren, niet goed wetend wat van hen als peuters wordt verwacht. Heel de voormiddag blijven de twee partijen roerloos op de zetel zitten, wachtend op de verlossende derde. Wanneer deze eindelijk opdaagt, wordt de pauzeknop weer ingedrukt en een beeld gecreëerd dat zo dicht mogelijk bij normaliteit aanleunt. Joelende kinderen en een sussende huisvrouw. Van buitenaf gezien perfect in ieder detail. Zo ook voor Sarah die direct smelt bij de aanblik van haar vriendin en haar twee koters.

“Je bent een geboren moeder jij.”

Liesbeth reageert niet op deze uitspraak en brengt het gesprek naar roddels en herinneringen. De kinderen blijven in de buurt, doen hun ding zonder opdringerig te worden. Even lijkt heel de namiddag zorgeloos voorbij te kabbelen. Even lijkt alles in zijn plooi te vallen en is het Liesbeth gegund om te genieten van wat het leven haar wel geschonken heeft.

Tot de oudste van de twee kinderen pardoes tegen de tafel botst en met een flinke snee in het voorhoofd moord en brand krijst. Liesbeth blijft zitten, versteend en gevoelloos, het rood aangelopen kind aanschouwend als een onbekende entiteit. Ze weet wel dat er iets wordt verwacht van haar, iets moederlijks en troostends, maar de drang om het daadwerkelijk te doen komt niet in haar op. Ze blijft gewoon kijken, naar hoe het straaltje bloed in zijn oog loopt en nog meer decibels genereert. Het enige wat ze voelt, is totale onverschilligheid.

Het is Sarah die ingrijpt. Het is Sarah die het kind oppakt en bedaart. Het is Sarah die hem alle lieve woordjes influistert die hij wil horen en meevoert naar de badkamer. Liesbeth begint dan maar de tafel af te ruimen, om toch iets om handen te hebben.

Sarah verschijnt weer met in haar armen een nog nasnikkend kind met op zijn voorhoofd een flinke pleister. Op de pleister staat de beeltenis van Liki Liki, het nieuwste fenomeen van kindertelevisie. Het programma zelf is gebaseerd op de hit van Hamas ‘Pioniers van Morgen’, waar ze elke maand kinderen wijsmaken dat hun presentator vermoord is door de Joodse geheime dienst. In onze versie zijn die vervangen door Franstaligen en is Liki Liki een pratende rat met heel nationalistische overtuigingen.

Sarah zet het kind op de grond en twijfelt even om de confrontatie met Liesbeth aan te gaan, om haar terecht te wijzen. Maar ze ziet er toch vanaf. Want zo’n goeie vriendinnen zijn ze ook weer niet.

“Misschien moet ik beter gaan.”

“Misschien wel.”

En zo eindigt een relatie van bijna vijftien jaar. Beiden weten ze maar al te goed dat de ander nooit meer zal bellen en na een paar jaar de kerstkaarten zullen opdrogen. Liesbeth ziet vanuit het raam hoe Sarah de auto instapt en niet eens wacht tot ze uit het zicht is om een echte vriendin te bellen en haar beklag te doen. Maar het kan Liesbeth weinig schelen. Er is weinig wat Liesbeth nog kan schelen.

’s Avonds rept ze met geen woord over het voorval tegen hem. Ze verzint iets geloofwaardigs om de pleister te verklaren en meer wil hij niet weten. Enkel of ze al de reisverzekering heeft geregeld. Ze liegt van wel. Later in bed proberen ze nog een keer te vrijen. Voornamelijk hij dan. Met een herwonnen verbetenheid pookt hij met zijn halfstijf lid tegen haar been, in de hoop dat het gevoel van ander naakt vlees hem harder, geiler en imposanter zal maken. Maar het mag niet baten. Met als resultaat een zielige bedoening van toch proberen, eruit floepen, tegen het schaambeen botsen, nog meer verslappen, vruchteloos trekken en dan maar vingeren bij gebrek aan beter. Ontgoocheld over zijn eigen prestatie blijft hij nog een tijdje wakker, zuchtend en woelend. Liesbeth kan ook niet slapen, maar niet omwille van hem. Zo blijven ze met hun rug naar elkaar in stilte wachten op het donkerste deel van de nacht.


Het is woensdag en na het lossen van kinderen, rijdt Liesbeth niet terug naar huis. Vanuit een zelf ontwikkeld oerinstinct doet ze haar vaste ronde, van de crèche naar de supermarkt naar de huisarts naar de kapster naar de garagist. Maar nergens stopt ze. Ze rijdt van de ene vertrouwde naar de ander om dat onrustig gevoel uit haar lijf te krijgen. Ze blijft rijden, uit het centrum, de snelweg op, richting luchthaven. Ze blijft rijden. Ze stopt pas met rijden op de hoogste verdieping van de parkeergarage bij terminal één. Daar zit ze urenlang in haar auto en kijkt ze naar de vliegtuigen die opstijgen.

Wanneer het terug tijd is om de kinderen weer op te pikken, heeft ze nog altijd geen bruikbaar idee voor haar einde verzonnen. Maar de onrust is wel gaan liggen. Toch een beetje.

’s Nachts blijft de slaap weer uit. Geruisloos kruipt ze uit bed om de gloed van het computerscherm op haar naakte lijf te voelen. Restjes uit de koelkast vretend herleest ze steeds opnieuw het manuscript, maar niks kan ze bedenken om haar personage uit haar lijden te verlossen. Ze zit halfweg hoofdstuk vijf wanneer een kader in de hoek van het scherm opduikt. Het is een bericht, een uitnodiging tot een chatgesprek van een mailadres dat ze niet herkent. Toch klikt ze erop. Het kader neemt heel het scherm over. Een man die zichzelf WimXL durft te noemen, zet het gesprek direct hoog in.

“Ben je nog wakker?”

Nog voor Liesbeth het meest voor de hand liggend antwoord kan geven, typt de man zijn volgende vraag

“Wil je kijken?”

En ze weet niet waarom, maar ze zegt van wel. Het scherm wordt een onscherp amalgaam van sepiastrepen en onherkenbare vormen. Na wat turen ontdekt ze in de chaos een bloot mannenlijf met een kop uit beeld en op de achtergrond een huiskamer opgebouwd uit pixels van een centimeter groot. En ze kijkt. Ze ziet hoe deze man hardnekkig aan zijn lul sleurt, af en toe ontbreekt om vunzige teksten in te tikken en dan verder doet. Ze reageert niet meer op zijn vragen of ze lekker vindt of nat van wordt of een geil sletje is. Ze kijkt alleen maar, naar deze show voor haar alleen, naar de doffe meubels achter hem, naar de schrammen op zijn borst, naar de foto’s van zijn kinderen naast zijn computer, naar de opgespannen spieren in zijn bovenarm, naar het schokken van zijn buik als het zover is. Hij typt enkele foutgespelde vuile woorden en ontploft dan in een serie van krampen en trillen. De man blijft nog een tijdje nahijgen waarbij even zijn pokdalig gezicht in beeld komt. Hij lijkt haar echt te zien, zijn ogen in de hare gehaakt. Ze blijft stil en hij typt niks meer neer. Ze kijken alleen. Of zo lijkt het toch.

Tot zijn hand druipend van zijn eigen vocht naar het scherm reikt, naar haar toe. Hoe dichter hoe waziger het beeld. Tot de pixels naadloos overgaan in zwart. Het kader verdwijnt even plots als het is verschenen en laat Liesbeth in verbijstering achter. Ze blijft zitten tot het tijd is om op te staan.


Het is donderdag en op alles lijkt een vertraging te zitten. Haar man, haar kinderen, de wereld rondom, alles pakt een ander tempo dan haar. Ook bereikt ze in een recordtijd de crèche omdat alle andere auto’s in een slakkengang voorbijglijden. Ze hoort getoeter, maar het lijkt niet voor haar bestemd.

Ze is alleen nu. Ze zit op haar nieuwe vaste plek op de hoogste verdieping van de parkeergarage bij terminal één. Ze ziet hoe de wereld zich weer stabiliseert en zijn dagelijks ritme terugvindt. Hier met achter haar een leger aan lege auto’s voelt ze zich als een poging tot mens die nog niet volledig afgewerkt is. Lichamelijk is alles in orde, maar de rest is nog wankel.

Ze heeft nog een paar uren te vullen voor de crèche haar terug verwacht. Ze rijdt terug naar het centrum. Zonder echt een doel voor ogen bereikt ze dat deel van de stad waar winkelstraten overlopen in minder gezinsvriendelijke buurten. Sowieso een plek waar weinig Volvos met twee kinderzitjes komen. Vanop straathoeken en zitbanken wordt Liesbeth aangestaard, maar ze krijgen haar niet bang. Niet meer alleszins.

Ze merkt haar al van ver op. Gezeten op de stoeprand met haar kapotte sneakers in de goot en een grote rode kap over haar hoofd staart de negerin naar de lege fles Martini. Naast haar ligt verregend plakkaat met erop ‘Zijn we dood?’. De vrouw, een product van ongunstige omstandigheden, is geboren ver van deze stad, in een dorp waar de kerkstraat, de schoolstraat en de winkelstraat dezelfde huizen langs weerzijden kennen. Haar ouders, de enige niet-blanken in de wijde omtrek, sloten zichzelf op in hun door de staat aangewezen krot en verjoegen de verveling met voortplanten. Haar geboorte was al een triomf op zich voor de vrouw die voor haar al acht kinderen had geworpen en op de leeftijd was gekomen waar één extra kind vergelijkbaar was met de laatste tandpasta uit de tube knijpen. De moeder was doodop en de opvoeding moest nog beginnen. Het meisje bereikte de puberteit door beperkte zelfstudie en sprong de dag van haar zestiende verjaardag op de eerste de best truck en trucker richting Neo-Sparta. Hier aangekomen was haar lot al bepaald. Slechte behuizing, slechtere vrienden en een afschuwelijke vent. Eerst hoer, dan verslaafde, nu bedelares en binnenkort lijk zonder naam.

Liesbeth parkeert de auto naast haar. De negerin lijkt het eerst niet beseffen, de roes verhindert ook iedere heldere gedachte. Pas als ze haar benen wil uitstrekken en tegen de band botst, is ze zich bewust van het grijze gevaarte voor haar. Ze klautert recht en met haar gezicht vlak tegen het raam aanschouwt ze Liesbeth die schaamteloos terugkijkt. De negerin tikt op de ruit met haar fles en brabbelt dat ze moet oprotten. Maar Liesbeth gaat niet weg. Het gebrabbel wordt getier en getik geklop. Even vreest Liesbeth voor het inbreken van de ruit, maar net op tijd bedaart de bedelares en zijgt er uitgeput weer neer.

Het is dan dat Liesbeth de portier bij de passagierszetel opent.

“Stap maar in.”

De vrouw kijkt Liesbeth aan met de meest lege ogen, maar stapt wel in. De stank van een ongewassen lijf in combinatie met goedkope alcohol en opgedroogd kwijl vult de auto. Liesbeth verbijt de walm en brengt haar hoofd dichterbij. Tot op het punt dat ze kan fluisteren.

“Versta jij mij?”

Ze knikt van wel.

“Oké, dat is goed. Ik wil jou iets heel belangrijk vertellen. Iets wat ik nu pas te weten ben gekomen. Ik ben een zeer pijnlijke vergissing. En ik heb jouw hulp nodig om alles terug in orde te brengen. Je zult betaald worden en ik zal je daarna nooit meer lastig vallen. Dat is beloofd. Oké?”

Opnieuw knikt ze.

“Dan kom ik je morgen oppikken. Hier heb je al wat cash voor de moeite.”

Liesbeth propt wat biljetten in de ruwe handen en wacht tot ze weer uitstapt. Trots op haar besluit rijdt Liesbeth terug naar de crèche, terug naar haar kinderen en dan naar huis.


Het is vrijdag en wanneer haar man thuiskomt, vindt hij in hun bed een totaal verwarde negerin in de kleren van zijn vrouw gehesen en een gerepeteerd stukje tekst aan het opzeggen.

“Dag schat, fijne dag op het werk?”

De valies die halfgevuld was voor de reis naar het zuiden staat niet meer in de hoek van de kamer. De man haast zich naar de kamer van zijn kinderen. Deze liggen waar ze moeten liggen, netjes in bed voor hun middagdutje. Maar geen spoor van zijn vrouw. Het kost hem twee agenten en een heel geduldige maatschappelijke werker om die negerin uit zijn huis te krijgen. Terwijl ze over de oprit naar de combi wordt meegesleurd, krijst ze nog heel de buurt bij elkaar.

“Nee, ik moet hier blijven. Ik heb het beloofd.”


Ondanks een intensieve zoekactie en nationale media-aandacht blijft Liesbeth zelf van de aardbodem verdwenen, enkel sporen van haar worden teruggevonden. Eerst haar auto bij een bushalte, de voorruit bezaaid met parkeerboetes. Een paar dagen later worden haar afgeschoren lokken ontdekt in een treintoilet samen met de kleren die ze die dag droeg. Vanaf nu stijgt de bezorgdheid over de staat van haar mentale gezondheid.

Af en toe bereikt hem nog nieuws. Zonder goed te weten of het waar is of niet. Over hoe ze in bibliotheken boeken die zij geschreven heeft, uitleent en dan gelijk een dagboek volkrabbelt met ideeën en gedachten. Zoals dit fragment neergepend tussen het dankwoord in ‘Hoe een puntje bijna een uitroepteken werd’.

Vannacht zalig geslapen/de eerste keer sinds lange tijd/ook gedroomd/een lange intense droom/waar ik niet eens in voorkwam/ik weet niet of dat iets betekent/maar ik denk het wel/ook een einde bedacht voor mijn laatste boek/eindelijk/hier komt het/ze sterft/in dat ziekenhuisbed/maar drie dagen later leeft ze weer/beetje gelijk een zombie/maar dan beter sociaal aangepast/en wanneer ze terug rondloopt/probeert ze iedereen te overtuigen dat er een hiernamaals is/maar niet het hiernamaals dat je verwacht/er is geen god/er zijn geen engelen/er is geen hemels bestuur/je moet het allemaal zelf regelen/beetje gelijk het echte leven/maar dan zonder een greintje faalangst en twijfel/in dit hiernamaals is iedere beslissing de juiste/als dat geen hoopvol einde is/dan weet ik het niet/ik weet dat jij dit weigert te geloven/maar ik ben blij nu/ik weet dat je nu van mij verwacht dat ik iets zeg in de trant van/het spijt me/in de trant van/ik mis hem/ik mis mijn kinderen/ik mis mijn huis/ik mis mijn kleren/ik mis mijn haar/ik mis mijn auto/ik mis de wekker/ik mis het gevoel van ergens bij te horen/maar het is niet zo/spijt en gemis zijn emoties die ik niet voel/ze komen niet in mij op/het enig gevoel dat er is/is een constante staat van trots/de enige emotie die telt/aan al diegene die zeggen/ze is niet goed bezig/zeg ik/FUCK/YOU.




< VORIGE

Laat een reactie achter


POST A COMMENT [SIGN IN]
Hi, in case you haven't heard, you can now sign up to become a "member" of Viceland.com, which entitles you to all sorts of amazing benefits like pictures and a nickname. Click here to make your own profile. You can still comment if you don't, but you gotta do it all 'nonymously.

Name:
Comment: