|
|
DOS & DON'TS
GERELATEERDE ARTIKELEN
|
|||||||||||||||||||||||||||||
HARRY BENSON - DEEL 3INTERVIEW DOOR JESSE PEARSON ![]() Harry Benson met Lord Beaverbrook. Sussex, Engeland, 1963
Het moeilijkste dat ik heb gedaan, is toen ik voor de London Daily Express werkte. Er was een of andere lordnee, geen lord, een hertog. Hij ging trouwen met een Ierse keukenmeid. Grensoverschrijdend, qua klassen. Precies. En iedereen in Fleet Street wilde de foto. We speurden hem op in een Londens restaurant, Caprice. De journalist ging eerst naar binnen, keek rond, en beschreef aan mij waar ze zaten. Dat was natuurlijk niet naast de deur, maar achterin een hoekje. Dus ik ga naar binnen, stel mijn camera af onder mijn jas, neem de fotohoppa!en nu moet ik eruit. En ondertussen roepen de obers: “Houd hem tegen! Houd hem tegen!” Dat was verschrikkelijk. Dat was volgens jou gevaarlijker dan Bosnië en Irak? Ja! Althansik was meer ongerust. In Bosnië neem ik afgewogen risico’s. Dit was een heel ander soort omstandigheden. En het was verschrikkelijk. Fleet Street in jouw begindagen klinkt hard. Het was heel competitief, met allemaal jonge fotografen die (soms letterlijk) vochten om wie de foto als eerste had. Het lijkt wel een sport, of een spel. Het was wel en niet een spel. Als ik niet binnenhaalde wat nodig was, wist ik dat om 11 uur ’s avonds mijn baas zou bellen en niet blij zou zijn. En ik heb het over Lord Beaverbrook, Churchills tweede man in de oorlog. Dus je wist heel snel of iemand je voor was geweest met een fotoen dat was nooit prettig. Lord Beaverbrook klinkt niet als iemand die je wilde teleurstellen. Nee. Maar hij was ook een man die voor je opkwam. Als je bijvoorbeeld een hertog moest fotograferen, haha! Het is interessant dat in de dagbladenwereld van toen de wortels van roddeljournalistiek gedeeltelijk liggen. Het lijkt wel alsof er toen meer klasse en stijl zat in dat soort fotografie. Niemand ging achter een verhaal aan zoals Fleet Street. De nieuwsredacteur zei: “Laat de honden los!” Het was leuk. Ik weet nog dat ik naar Nigeria of Jalta, of zo’n soort oord, ging. We zaten in een aftands hotel. Ik was daar met een man die tijdens de oorlog bij de Britse Militaire Inlichtingendienst zat. Een Oxford-man, internationaal correspondenteen lievelingetje van Beaverbrook. We checkten in en toen bleek dat er slechts een enkele telefoonlijn naar buiten was, hoewel iedere kamer wel een toestel had. Ze zaten allemaal op die ene lijn. De tent zat vol journalisten, de Evening Times, de New York Times... Alle concurrenten. Ze waren er allemaal. Dus mijn partner gaat naar beneden en zegt tegen de receptionist “Wat is het beste restaurant hier in de buurt?” En die kerel zegt, de Cock-a-Doo ofzo. Haha. Dus zijn we daar gaan eten, en toen we terugkwamen, zeiden we: “Dankjewel, beste man, dat was fantastisch,” en we gaven hem vijftig pond of zoiets. Meer dan dat hij daar in een half jaar zou verdienen. Drie maal raden wie alle telefoonlijnen kreeg! Direct doorgeschakeld naar Londen, maakt niet uit wat. Je hoorde andere journalisten in de bar: “Ik werd halverwege een zin onderbroken!” Ze moesten veertig, vijftig kilometer verderop met hun bureaus telegraferen. Volgens wat ik gelezen heb, was je nogal een vechtersbaasje in jouw tijd, vooral wat concurrentie betreft. Laat ik het zo zeggen: niemand legde me een strobreed in de weg. Dus het heeft me geen kwaad gedaan. Ik bedoel, ik was ook nooit op zoek naar ruzie. Maar in het heetst van de strijd, wanneer iedereen op jacht was naar een bepaald beeld... O, ja. Maar ik had het geluk dat ik met veel goede mensen werkte. Slimme mensen. Hoog opgeleid. CONTINUED HARRY BENSON | 1 | 2 | 3 | 4 |
| ||||||||||||||||||||||||||||||